header image
Home arrow Databank arrow Teksten arrow Guido Gezelle te Wingene
Guido Gezelle te Wingene PDF Print

De Beiaard - Aankondigingsblad Verschijnt elken Zaterdag.
5de jaargang
Nr 48
Zaterdag 26 November 1949
Drukker-Uitgever: A.Anseeuw, Wingene. Tel. 3.

Bij den 50st verjaardag van zijn afsterven: 27 november 1899.

Guido Gezelle te Wingene

Men zal zich afvragen, na de artikelen in “De Beiaard” verschenen over Guido Gezelle en zijn Wingense moeder, na de herdenkingsfeesten in onze Davidsfondsafdelinq, wat er nog te vertellen is over de Heer ende Meester Guido Gezelle in betrek met Wingene, en we zouden wel moeten antwoorden: niet vele meer.

Kwam de eerwaarde zoon van Monica Devriese, na zijn jeugdjaren, maar weinig meer naar ‘t Wingens “Walleke”, zodat hij op ‘t einde van zijn leven moest de weg vragen om er nog ne keer te geraken, toch stond hij met verscheidene Wingenaren in betrekking, al was het misschien alleen per briefwisseling.

Zo vinden wij een Eerste-Communiegedicht je, dat hij gemaakt heeft voor Charles Carton, “ter blijde gedachtenisse” van dien schonen dag 26 Maart 1896.

Met notaris Hendrik Persyn, die 27 jaar jonger was, moet Guido Gezelle alleszins in nauwe voeling gestaan hebben. Wellicht hebben zij elkaar menigmaal ontmoet, misschien te Wingene zelf, en anderszins moeten ze regelmatig met elkaar in briefwisseling gebleven zijn.

Volgend anekdootje is er een sprekend bewijs van. In het gezin van notaris Persyn te Wingene werd een zoon geboren, Govaert (Godfried), in Februari 1890. De gelukkige vader heeft dit medegedeeld aan zijn vriend Eerwaarde Heer Gezelle, die met een vers zijn gelukwensen opstuurt naar Wingene.

Hier volgt dit gelegenheidsgedicht je in twee stroofjes, het eerste betreft den nieuwgeborene, het tweede gedeelte bevat een paar vertrouwelijke mededelingen.

Mijn achtbaren Heer Govaert Persyn, om te bestellen aan zijn Vader Notaris en Deelsman tot Wynghene.

11 Februari 1890.

Proficiat, Persyn, dat ‘t groeie, tot wezen komen en ga vooruit, Gelijk een Christ’ne moederbloeie die uit een Vlaamsehen vader spruit.
P.S. Dat wenscht u een die ziek en zuchtig geweest heeft, nu een maand bijkan en, overlast van werk, uw kluchtig gedichtje schier van buiten kan.
Notaris Persyn moet dus een “kluchtig” gedichtje naar Guido Gezelle hebben opgezonden, of deze laatste moet “het” in een of ander blad gelezen hebben ...  wij weten het niet, zoals wij evenmin weten welk gedichtje Gezelle hier bedoelt. Dat notaris Persyn ook verzen schreef, daarvan vinden wij sporen terug in verscheidene liederteksten, o.m. een Boerenkrijglied en dan het Wingens Studentenlied.

We moeten nu raden en we zijn geneigd te denken dat het wel “De Zwaantjes” kunnen geweest zijn, die aan den zieken en zuchtigen Gezelle, zoals hij zelf laat verstaan, als een goede medecijn, door herhaald lezen, heel wat troost hebben verschaft.

Wij verwachten dezelfde uitwerking bij onze lezers en laten hier dan verschijnen:

DE ZWAANTJES

In ‘t klooster, stil en opgeleid
Als arme droeve schapen,
Zoo leefden, ‘t leven onbewust
Twee ouderlooze knapen.
Hun wereld strekte in ‘t lang en breed
Zoo groot als ‘t klooster groot was.
De wereld die daarbuiten lag
Hun onbekend en dood was.
Toen lukte ‘t eens dat vader Abt,
Wel opgestaan en blijde
Omdat ‘t een schoone morgen was
In ‘t, jonge meigetijde,
De beide jongens medenam
En sedert hun geboorte
Voor d’ eerste maal liet schouwen
Door ‘t winket je van de poorte.
De hemel wilde ‘t zeker zoo
Want op dees goede stonde
Ter markte gaande, kwamen daar
Twee meiskes blij en blonde.
De knapen keken als verstomd
Hun oogen waren, kogels
En, zei er een tot vader Abt,
Hoe heet men zulke rare vogels?
‘t Zijn zwaantjes, sprak de oude man
En sloot ‘t winket je van de poorte,
Och, vader Abt toch, geef ons
Elk een zwaantje van die soorte.

Guido Gezelle en zijn Wingense moeder

Het werk van Robert Lagrain dat in “De Beiaard” verscheen, hebben wij nu uitgegeven in een klein boekje. Enkele exemplaren zijn nog ter beschikking tegen 10fr.